Sinds de jaren zestig werd de unitaire Belgische staat geleidelijk omgevormd tot een federale staat met vier taalgebieden en drie officiële talen: het Nederlands, het Frans en het Duits en een tweetalig Frans-Nederlands gebied ( de 19 gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijke Gewest). Deze opdeling werd in 1970 opgenomen in de Grondwet, waardoor het territorialiteitsbeginsel, het principe dat op een afgebakend territorium één taal de officiële taal is ( of in Brussel twee talen), grondwettelijk verankerd.

Het territorialiteitsprincipe doet echter geen afbreuk aan het grondwettelijk beginsel van de taalvrijheid. Deze mag alleen voor een beperkt aantal domeinen worden ingeperkt :

  • Het openbaar gezag en het bestuur
  • Gerechtszaken
  • Het onderwijs in de instellingen die de overheid opricht, erkent of subsidieert
  • De sociale betrekkingen( de relaties tussen de werkgevers en hun personeel en de documenten die bedrijven moeten gebruiken.

In het bedrijfsleven is het basisprincipe de vrijheid van taalgebruik,  al zijn er wel regels voor officiële documenten en voor het taalgebruik binnen in de onderneming :

  • In het homogeen Nederlands taalgebied moet men het Nederlands gebruiken voor alle schriftelijke en mondelinge communicatie met de werknemers en voor alle officiële documenten. Voor alle externe communicatie , zowel mondeling als schriftelijk, mogen andere talen worden gebruikt. Gesprekken of briefwisseling tussen de werknemers zelf hoeven niet in het Nederlands te gebeuren zolang er tussen die werknemers geen hiërarchische band bestaat.
  • Voor Brusselse exploitatiezetels van commerciële bedrijven moet de schriftelijke communicatie met het personeel in de taal van de werknemer gebeuren. Tweetalige loonfiches zijn onwettig. Officiële documenten die niet bedoeld zijn voor een bepaalde werknemer (statuten, facturen, jaarverslagen..) mogen in het Nederlands, het Frans of tweetalig zijn, ook al wordt uit Brussel een factuur naar Vlaanderen verstuurd. Voor mondelinge communicatie bestaan er geen regels.
  • In de faciliteitengemeenten moet de schriftelijke communicatie met het personeel in beginsel in het Nederlands gebeuren, maar de werkgever mag net als in Brussel, een vertaling bij de officiële documenten voeren. Officiële documenten die niet bedoeld zijn voor de werknemers moeten in het Nederlands. Voor mondelinge communicatie met het personeel bestaan er geen regels.

De faciliteitengemeenten zijn de 6 Vlaamse randgemeenten rond Brussel: Sint-Genesius-Rode, Wemmel, Linkebeek, Kraainem, Wezembeek-Oppem en Drogenbos en de Vlaamse taalgrensgemeenten: Bever, Herstappe, Mesen Ronse, Spiere-Helkijn en Voeren. Ze maken integraal deel uit van het Nederlands taalgebied en de deelstaat Vlaanderen. De officiële taal is er het Nederlands, maar Franstalige inwoners van die gemeenten kunnen- als ze daarom vragen- sommige bestuursdocumenten in het Frans krijgen. Dit is bedoeld als een overgangsmaatregel, om het de Franstaligen gemakkelijker te maken zich in hun Nederlandstalige omgeving te integreren. Faciliteiten gelden alleen voor individuele inwoners. De faciliteitengemeenten mogen dan ook alleen in het Nederlands worden bestuurd. Zittingen van gemeenteraad en schepencollege mogen uitsluitend in het Nederlands verlopen. Faciliteitengemeenten zijn geenszins tweetalige gemeenten al versoepelen de faciliteiten het territorialiteitsprincipe. Berichten en mededelingen moeten in het Nederlands en het Frans worden opgesteld, met voorrang voor het Nederlands . Formulieren moeten in de taalgrensgemeenten allee in het Nederlands beschikbaar zijn, in de randgemeenten in de beide talen. Alle persoonlijke officiële documenten worden opgesteld in de taal die de inwoner verkiest of worden op verzoek in het Frans vertaald.

De Vlaamse taaldecreten gelden er niet. Het taalgebruik in de faciliteitengemeenten kan alleen met een bijzondere meerderheid door het federale parlement worden geregeld zodat één taalgemeenschap de faciliteiten voor anderstalige inwoners niet kan afschaffen.

De Vlaamse taaldecreten zijn ook niet van toepassing op een aantal overheden die belangrijk zijn voor het volledige Belgische grondgebied of voor een groot gedeelte ervan, zelfs al bevindt hun zetel zich in het Nederlandse taalgebied. Diensten als het KMI in Ukkel of het studiecentrum voor kernenergie in Mol  zijn verplicht om in hun betrekkingen met de burger de taal te gebruiken die de burger kiest, zelfs als dat niet de taal van zijn woonplaats is. Bij het verspreiden van berichten en mededelingen houden deze diensten wel rekening met de officiële taal of talen van het gebied waar ze verspreid worden.

Voor de andere overheidsdiensten (openbare besturen en openbare dienstverlening) geldt in grote mate de Belgische Taalwet Bestuurszaken uit 1966, dit ondanks de overheveling van het grootste deel van de  bevoegdheid naar de  Gemeenschappen. De Vlaamse Gemeenschap heeft immers maar mondjesmaat gebruik gemaakt van haar bevoegdheid om eigen taaldecreten uit te werken.

Ook alle bedrijven en personen die in het algemeen belang en in opdracht van de overheid optreden, moeten deze taalwetten volgen en worden gelijk geschakeld met de overheid. Dit is vb het geval voor de PostPunten voor zover men er  de diensten van de Post verricht.

Buiten de faciliteitengemeenten, mag de overheid in haar relaties met de burger alleen gebruik maken van de officiële taal of talen (Brussel) van het gebied waarin de woonplaats van de burger ligt. De taal die moet worden gebruikt hangt dus niet af van de plaats waar de overheid gevestigd is, maar van de plaats waar de overheid haar bevoegdheden uitoefent.

  • In haar relaties met inwoners van het Nederlandse taalgebied, gebruikt de overheid het Nederlands.
  • Meertaligheid wordt toegestaan in toeristische centra voor berichten en mededelingen die bestemd zijn voor toeristen mits toestemming van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht en het gebruik van minstens drie talen.
  • Personeelsleden van plaatselijke en gewestelijke diensten mogen inwoners uit een ander taalgebied ook in hun eigen taal te woord staan, maar ze zijn dit niet verplicht.
  • De overheden die op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijke Gewest bevoegdheden uitoefenen moeten voor al hun berichten en mededelingen zowel het Frans als het Nederlands gebruiken.
  • Voor alle gepersonaliseerde schriftelijke en mondelinge communicatie en voor persoonlijke officiële documenten moet de overheid in Brussel de taal gebruiken die de burger verkiest. De overheid moet zowel Frans als Nederlands verstaan. Een uitzondering hierop is de Vlaamse Gemeenschapscommissie, die in principe enkel in het Nederlands moet communiceren en alleen uitzonderlijk en onder strikte voorwaarden vreemde talen mag gebruiken. Het zelfde geldt natuurlijk ook voor de Franse Gemeenschapscommissie en de administratie van het Waalse Gewest, die enkel in het Frans moeten communiceren.
  • Politie, brandweer, trambestuurders,metro-ticketverkopers, postbedienden of uitbaters van postpunten, toeristische diensten en musea die afhangen van het Brussels gewest, de federale overheid of Brusselse gemeenten, openbare rust- en ziekenhuizen moeten in Brussel tweetalig zijn, dus in staat zijn gebruik te maken van het Nederlands.
  • Deze taalverplichting is niet van toepassing op privé ondernemingen als restaurants privé rusthuizen, privé ziekenhuizen,  privé musea, privé toeristische diensten enz.

Officiële erkende of gesubsidieerde scholen kunnen niet tweetalig zijn. In het onderwijs is het taalgebruik  ofwel Nederlands ofwel Frans in Brussel, Frans in het Waalse gewest, Nederlands in het homogeen Nederlands taalgebied. Ook in de faciliteitengemeenten is de onderwijstaal het Nederlands, maar onder bepaalde voorwaarden kan de lokale overheid daar verplicht worden om Franstalige basisscholen op te richten, gesubsidieerd door de Vlaamse overheid. Deze scholen mogen enkel bezocht worden door kinderen uit de gemeente, die kunnen bewijzen dat ze Franstalig zijn.

In Komen, faciliteitengemeente op Waals grondgebied, zou de Franstalige Gemeenschap al jaren een Nederlandstalige basisschool moeten subsidiëren, maar die verplichting is men tot nu toe nog steeds niet nagekomen. Het is de Marnixring die de aankoop van de gebouwen voor zijn rekening heeft genomen en de Vlaamse gemeenschap die het personeel betaalt.

Verwijzingen

http://brussel.vlaanderen.be/taalwetwijzer.html

http://www2.vlaanderen.be/taalwetgeving